In de jaren 70 schreef John Berger de trilogie ‘De vrucht van hun arbeid’. Die gaat over de teloorgang van eeuwenoude agrarische tradities als gevolg van de economische modernisering. En over het bewonderenswaardige vermogen van de boerenstand om tegen de verdrukking in stand te houden. Berger voorspelt dat de boeren het kapitalisme wel eens zouden kunnen overleven. Nu we volop in de overgang naar een postkapitalistische samenleving zitten (lees Paul Mason, Postkapitalisme, een gids voor de toekomst), lijkt die voorspelling uit te komen. We zien dat kleine, traditionele boeren effectieve manieren vinden om zich te verbinden met nieuwe markten en doelgroepen. Tegelijkertijd zien we dat stedelijke elites zien opnieuw interesseren in de herkomst van ons voedsel en de ontwikkeling van het productief landschap. Op het raakvlak van die twee ontstaan interessante nieuwe verdienmodellen en samenwerkingsvormen, denk aan voedselcoöperaties en community supported agriculture. Of hiermee de industrialisering van onze voedselvoorziening werkelijk een halt toegeroepen kan worden, is niet gezegd, maar er is duidelijk sprake van een serieuze beweging.

Meer nog dan de politieke analyse van Berger overtuigt zijn beeldende beschrijving van het ruige boerenbestaan. De natuur, het leven en de dood maken in ‘De vrucht van hun arbeid’ nog echt deel uit van het dagelijks leven. Berger woont sinds jaar en dag in een kleine boerengemeenschap in de Franse Alpen en weet dus waar hij het over heeft. Hij blijft ver weg van de romantische idealisering van het platteland. Het platteland van Berger is gedrenkt in stront, modder, bloed en pis. De geboorte van een kalf, het slachten van een varken, de dood van dorpsweduwe Lucie Cabrol, dat zijn heftige gebeurtenissen en Berger laat je die aan den lijve meebeleven.

Berger was voor ons inspiratie bij de uitwerking van het landbouwpark in Maasmechelen. Dit project was onderdeel van het Pilootproject Productief Landschap van de Vlaams Bouwmeester. De Vlaams Bouwmeester stelt de vraag hoe de primaire sector weer in fase kan komen met de maatschappij die ze van oudsher mee heeft vormgegeven. De Pilootprojecten zijn “een zoektocht naar een hedendaagse ‘boerenlogica’: een logische doch ambitieuze en productiegerichte houding om de open ruimte in Vlaanderen een nieuw en co-productief perspectief te bieden”.

Die boerenlogica hebben we zeker gevonden in Maasmechelen. Veeboer Patrick Winten en zijn vrouw Hilde kennen de druk die de stedelijke maatschappij oplegt aan het boerenbedrijf. De familieboerderij is in de loop van de tijd volledig ingesloten geraakt in de bebouwing van Maasmechelen. De mogelijkheden om door te groeien zijn beperkt. Daarom moesten Patrick en Hilde hun woning verderop aan de rand van de stad bouwen en er een baan bijnemen, hij in de veehandel, zij in de ouderenzorg. Of de kinderen het veebedrijf over zullen nemen is nog onzeker. Toch is er bij Patrick een sterke drang om het bedrijf voort te zetten, gewoon omdat zijn ouders en grootouders dat ook al zo deden. En omdat hij iets heeft met koeien. Schaalvergroting in de richting van honderden koeien is voor hem geen optie. Een beperkte uitbreiding naar 80 koeien is voldoende. Bij de woning zal daarvoor een nieuwe veestal moeten komen. Patrick en Hilde weten dat daarmee geen volledig gezinsinkomen is te verdienen en dat vinden ze ook niet nodig. “In de meeste gezinnen zijn tegenwoordig toch meerdere inkomens, waarom zou dat in de landbouw anders zijn?” aldus Hilde.

Patrick en Hilde staan open voor nieuwe functies op de boerderij. In de bestaande stal komen al regelmatig schoolklassen op bezoek van de naburige basisschool Mozaïek. Dit jaar was er een groot schuttersfeest op hun land. In de toekomst ziet Hilde mogelijkheden voor een combinatie met zorgverlening. Voor Patrick en Hilde is dat een vanzelfsprekende maatschappelijke verantwoordelijkheid, meer dan een verdienmodel. Daarnaast hebben ze oog voor het landschap, het milieu en het welzijn van de dieren. Ze willen graag schaduwbomen aanplanten voor het vee en de stal in hout uitvoeren, want dat is duurzamer en ziet er veel mooier uit dan beton en staal. Natuurlijk moeten die maatregelen functioneel en rendabel zijn, want het is wel hun broodwinning. Uiteindelijk gaat het om de opbrengsten van het vee. De reden om mee te doen met het pilootproject is vooral om zo snel mogelijk de nieuwe stal te kunnen bouwen, niet om per se innovatief te zijn.

De pilootwaarde van dit project ligt vooral in de wijze waarop de verschillende stakeholders elkaar hebben gevonden in een gezamenlijke aanpak, en in de wijze waarop de praktische en economische vereisten van het veebedrijf zijn verbonden met bredere maatschappelijke en ruimtelijke doelen.

Download hier het complete artikel

De landbouw in Nederland lijkt zich op een kantelpunt te bevinden. De negatieve effecten op het milieu en het dierenwelzijn krijgen steeds meer aandacht, consumenten worden kritischer en boeren kiezen vaker voor biologische of ‘natuurinclusieve’ landbouw. Nieuwe teelten en ketens komen op, die heel anders omgaan met grondstoffen en de belofte inhouden van een meer duurzame voedselvoorziening. Denk aan permacultuur, waar ecologische principes centraal staan en bemesting en grondbewerking tot een minimum worden beperkt. Of aan vertical farming, waar de plantengroei juist helemaal kunstmatig wordt gereguleerd en zelfs geen daglicht meer aan te pas komt. Het beleid voor de circulaire economie zal ongetwijfeld gevolgen krijgen voor de landbouw. Het Rijk werkt in het kader van het programma Nederland Circulair in 2050 al aan een transitie-agenda ‘biomassa en voedsel’.

Maar wat gaat dit betekenen voor onze bodem en waterhuishouding? En dus voor ons landschap? Om een antwoord te krijgen op die vraag moeten we verder kijken dan hergebruik van afvalstromen. De transitie naar een circulaire landbouw vraagt om een integrale systeeminnovatie. Naast technologische vernieuwing is ook ruimtelijke en sociale vernieuwing nodig. Ontwerpend onderzoek kan daarin een belangrijke rol spelen, omdat het verder durft te kijken dan sectorale belangen en kortetermijnoplossingen.

Een voorbeeld is het ontwerpend onderzoek van Strootman Landschapsarchitecten voor Laag Holland, het veenweidegebied ten noorden van Amsterdam. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Natuurlijke Zaken, Landschap Noord-Holland, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Wageningen Economic Research en Van Hall Larenstein. Zoals alle veenweidegebieden heeft Laag Holland te kampen met bodemdaling als gevolg van de ontwatering ten behoeve van de landbouw, met als gevolg: verzakkingen van wegen en huizen, toenemende kosten voor waterbeheer en een forse uitstoot van CO2 door de oxidatie van het veen. Omdat veel van de kernkwaliteiten van het landschap samenhangen met de veenbodem, worden ook deze beïnvloed door de bodemdaling. De centrale vraag van het ontwerpend onderzoek was dan ook: hoe kan een nieuwe kijk op voedselvoorziening bijdragen aan de instandhouding en versterking van de kwaliteit van het landschap in Laag Holland?

Juist omdat bodemdaling een langzaam proces is, moeten we kijken naar de ontwikkeling van het grondgebruik op langere termijn. Hoe ziet de landbouw, als primaire grondgebruiker, er over pakweg 30 jaar uit? Is er dan nog wel landbouw in Laag Holland? Als we de trend van de afgelopen 5 of 10 jaar doortrekken is het beeld best schokkend. Wageningen Economic Research heeft berekend dat de komende 10 jaar 40 tot 50% van alle landbouwbedrijven uit Laag Holland zal verdwijnen. Voor de melkbedrijven gaat het om 30 tot 40%. Als de overblijvende bedrijven evenredig doorgroeien, betekent dat een forse schaalvergroting, met alle gevolgen van dien voor het landschap. Maar er zijn alternatieve ontwikkelingsrichtingen denkbaar. Sterker nog: gezien de klimaatdoelen van Parijs, de duurzaamheidsambities van de veehouderijsector zelf en de veranderende voedselmarkt ligt het voor de hand om daar actief op in te zetten.

Download hier het complete artikel